Macht
15 februari 2010
Vanavond voetballen in de zaal. Vriendin N. belde vanmiddag hoestend en kuchend op of ik wil invallen. Ze kan zelf niet meedoen straks. Ziek. ‘O ja: de jongens vroegen of je jouw bal wilt meenemen vanavond,’ vroeg ze. ‘Want die is zo fijn.’ ‘Jouw bal.’ Ik was het bijna vergeten van vroeger: de macht van de bal. De macht van de eigenaar. De macht van het bezit. En ík heb ’m. Enkele maanden geleden gekocht voor de Nonnen, omdat we daar in onze competitie ook mee spelen: de Derbystar blauw. Je hebt ook rood en geel, maar blauw is het fijnst. Een plofbal. Die stuitert niet zo en dat is in de zaal prettiger. Het is steenkoud buiten en de gymzaal is best ver weg, maar de reis zal de moeite waard zijn. Ik hoop zó dat de jongens me straks in de kleedkamer hoopvol aankijken en vragen: ‘En? Heb je je bal bij je?’
0 reacties
Handel
12 februari 2010
‘Nou, daar zit nog steeds geen handel in,’ verzucht mijn tandarts terwijl hij met spiegeltje en haakje door mijn mond tuurt, op zoek naar rotte kiezen, zwakke plekken, nog te bouwen bruggen of protheses. Maar opnieuw niks daarvan, mijn gebit is al jaren van graniet. Hij moppert: ‘Aan zo’n gebit verdien ik toch niks man!’ Daarna glimlacht hij en zegt dat hij nog even foto’s moet maken, omdat de laatste van alweer twee afspraken geleden zijn. Toch nog een beetje handel, denk ik terwijl hij de plaatjes in mijn mond stopt en zegt dat ik voorzichtig mag bijten. Gek genoeg denk ik iedere keer als ik ter controle kom dat hij wél de vorige keer ook al foto’s heeft gemaakt en dat het nu dus helemaal niet nodig is, maar ik zeg niks. Uit de radio klinkt een stemmig jazzmuziekje. Zouden patiënten daar echt rustig van worden? Nadat hij mijn tandplak heeft verwijderd en alle tanden strak in het glazuur heeft gezet, laat hij op de computer de nieuwe foto’s zien en vergelijkt ze met de oude, die inderdaad van drie jaar geleden zijn, zo zie ik rechts bovenaan in de foto. Handig hoor, die moderne röntgenfotografie, dan weet je precies wanneer foto’s zijn gemaakt en kan daarover geen misverstand bestaan. Ik ben dus anderhalf jaar niet geweest – er zit echt geen handel in mijn tanden. ‘Zie je dat?’ zegt hij en hij wijst op het scherm, ‘er is geen verschil te zien met drie jaar geleden, je tandhalzen zijn nog helemaal gezond. Alleen die ene amalgaamvulling rechts is een smetje. Die wil ik graag een keer vervangen. Geef maar aan wanneer je daar klaar voor bent.’ Ik mag spoelen en zeg dat ik erover zal nadenken. Minstens anderhalf jaar, denk ik.
0 reacties
Lunch
11 februari 2010
Mijn accountant was vanochtend zó tevreden over mijn voorbereidingen voor de aangifte van 2009, dat zelfs de barre heen- en terugtocht van elk een halfuur door striemende tegenwind over besneeuwde bergtoppen – ik heb in 1988 voor het laatst geskied, maar dit kwam toch wel verdomd dicht in de buurt – me niet meer konden deren. In meerdere opzichten is 2009 een uitstekend jaar geweest, maar vooral zakelijk is er flink progressie geboekt. Hulde derhalve. En omdat Ome vandaag een vrije middag had genomen, leek ons een uitgebreide gezamenlijke lunch wel een gepaste beloning voor al het goede werk van de afgelopen maanden. Maar kort telefonisch overleg leidde wederom tot het aloude probleem: waar in vredesnaam kun je echt lunchen in Amsterdam? Sinds vanmiddag luidt hierop het antwoord: Bussia. Nooit meer net-iets-te-natte uitsmijters op witte flepboterhammen, koud geworden koffieverkeerdecappuccino’s, twee ons rucola op je pistoletje tonijnsalade of ongesmolten tosti’s met een bakje ketchup. Nooit meer. Vanaf nu gewoon drie mooie gangen voor een vriendenprijs en een geheel Italiaanse wijnkaart om van te watertanden. Wij kozen de Praepositus 2007 Abbazia di Novacella. Lieve mensen, lunchen is echt heel eenvoudig. Echt.
0 reacties
Kampioenen
04 februari 2010
Er zijn nog 33 seconden te spelen als Non I. met Non S. aan haar zijde op het vijandelijke doel afstormt. In de hoek houdt de fotograaf zijn camera in de aanslag, dit moment van eeuwige roem moet worden vastgelegd voor het nageslacht. Vier WisselNonnen langs de lijn houden hun adem in, Kootz durft nauwelijks te kijken, de wissels van de tegenstanders en klaarstaande zaalvoetbaljongens die straks zelf mogen spelen kijken in slowmotion toe hoe deze topwedstrijd gaat aflopen. Het woord ‘apotheose’ was nog nooit zo van toepassing als nu. Nog even, dan zal I. de bal onder de keeper door in het doel schuiven en uitzinnig van vreugde S. in de armen vallen. Of speelt ze de bal af, en zal S. de beslissende goal maken? Nog 29 seconden. Ze duren een eeuwigheid. De kampioenswedstrijd. De nummer een (zij) tegen de nummer twee (wij). Na een 3-1 achterstand staat het nu toch 3-3. Wij móeten winnen, zij hebben aan een gelijkspel genoeg. Dit is zaalvoetbal op het hoogste niveau, hiervoor komen de mensen naar het stadion, de thuisblijvers hebben voor de zoveelste keer ongelijk. Nog 25 trage seconden. I. maakt een schijnbeweging, doet alsof ze afspeelt, maar ze houdt de bal bij zich en schat de hoek tot de keeper in. Eerder schoot ze al op de paal, en de keeper heeft ook al goede reddingen verricht, maar ze weet: als deze erin vliegt zijn we kampioen... Wat gaat er door haar hoofd? Het gaat snel en langzaam tegelijk, niemand ziet goed wat er gebeurt, maar als de scrimmage voorbij is, de stofwolken zijn opgetrokken en de klok op 9 seconden staat, heeft de keeper de bal klemvast. Ze ligt op de grond en glimlacht triomfantelijk. I. staat er verslagen bij, ze grijpt naar haar hoofd, de zoemer gaat. Afgelopen. Er zijn tranen. Onbegrip en ongeloof. Gescheld en gevloek, maar er worden ook handjes gegeven aan de tegenstander en ik hoor iemand ‘gefeliciteerd’ zeggen. Geloof ik. De meegenomen kampioensschaal gaat weer mee terug naar huis in de grote rode Dirktas. In de kantine is het even later stil aan tafel. Lege glazen vruchtensap, een enkele AA, wat kopjes thee, een cola. ‘Volgende competitie pakken we ze,’ zegt Non S. dan. De andere Nonnen knikken.
0 reacties
A funny way
24 januari 2010
Terwijl de laatste heerlijke noten van de Figaro nog in onze oren naklinken, lopen vriendin S. en ik vrijdagavond vanaf het Muziektheater naar de Supperclub waar vriendin K. haar verjaardag viert. Voor de volgende keer onthouden: als op het kaartje staat dat stoel 64 op rij 6 op het eerste balkon ‘geen zicht op boventiteling’ heeft, is daar geen woord van gelogen. Alleen volledig onderuitgezakt, linkerbeen over mijn rechter, knie tegen de stang en met mijn hoofd op de schouder van S. kan ik alles lezen. Nu ja, ogen dicht en luisteren maar, zei mijn moeder in dat soort gevallen, en gelijk had ze. En dat van die schouder is trouwens niet helemaal waar. Ook onthouden: vroeger gebruikte Figaro nog gewoon een centimeter om in de openingsakte zijn aanstaande bruidsbed op te meten, tegenwoordig doet hij dat op een computer in een autoshowroom, want ook opera moet met de tijd mee. Denken sommige mensen. Gelukkig blijft dan nog de muziek. De overgang van Mozart naar Supperclub wordt me die avond uiteindelijk te machtig, en terwijl S. laat weten veilig thuis te zijn gekomen, beuk ik met vriend J. en onbekende nachtvlinders een flink gat in de nacht, die eindeloos lijkt te duren. De zaterdag doet hels pijn. ‘Fruit,’ stamelen enkele interne overlevenden, ‘je moet fruit kopen.’ Wanneer ik weer thuis ben van de Cuyp staat er voor een gemiddelde cocktailbar aan tassen fruit op het aanrecht, gevuld met sinaasappels, bananen, lychees, mango’s, vijgen en passievruchten. Gek genoeg levert dat alles bij elkaar helemaal niet zo’n lekkere shake op als ik had gehoopt, maar zonder de lychees, vijgen en passievruchten op zondagochtend weer wel. Blijven ontwikkelen en leren, jongelui, dat is het geheim. Met werk, koffie en Ajax verloopt de zondag voorspoedig, tot de aankondiging dat vanavond de laatste aflevering van Californication is. Afscheid nemen is al niet mijn sterkste kant, maar afscheid nemen van Hank Moody valt me zwaarder dan ik dacht. De slotscène is hartverscheurend. En die stoute Mia had Hank nog wel zo gewaarschuwd: ‘That’s the thing about secrets, Hank, they have a funny way of coming out.’ Dondersteen. Maar ze heeft wel gelijk. Terwijl Hank wordt afgevoerd, ver weg van alles wat hij liefheeft, als een astronaut naar een isoleercel op een onbewoonde planeet, klinkt voor straf Elton Johns Rocket Man: ‘And I think it’s gonna be a long long time/ Till touch down brings me round again to find/ I’m not the man they think I am at home/ Oh no no no I’m a rocket man/ Rocket man burning out his fuse up here alone.’
2 reacties
Ik kan het
14 januari 2010
Dat ik die vrijdagochtend nauwelijks zenuwen voelde toen ik wakker werd, kan ik nu nog steeds niet geloven. Later kwamen die zenuwen alsnog, zenuwen die ik alleen de baas kon door vlak voor het examen een bètablokker te slikken. Een advies van Master J., de beste autorijleraar van Amsterdam. Laten we wel wezen: als je zowel mij als vriend T. binnen enkele maanden kunt laten slagen, ben je een hele grote. Hoe ik dat deed weet ik niet meer, maar toen ik na het rijexamen het terrein van het CBR opreed wist ik het opeens zeker: ik ben geslaagd. Met natte kaplaarzen over het modderige slootje, maar ik heb het gered. ‘Ik kan het. Ik kan het. Ik kan het. Ik kan het. Ik kan het. Ik kan het. Ik kan het. Ik kan het,’ zei ik hardop op de fiets naar huis, als om mezelf van dit wonder te overtuigen. ’s Avonds stond ik het te vieren in de kroeg, twee dagen later maakte ik mijn Eerste Rit naar het strand in de auto van broer F., en in juni kocht ik mijn eigen Blauwe Tank, die ik vorig jaar zomer weer heb verkocht. De zoete herinneringen aan Frankrijk heb ik gehouden. Toen de nieuwe eigenaar erin wegreed, nam ik nog snel deze laatste foto voordat hij rechtsaf de hoek om ging. Waarom weet ik niet. De lachende jongen op de foto in mijn rijbewijs heeft heel in de verte iets weg van een gelukkig mens. Wist ik veel, toen. Dat dat nu alweer vijf jaar geleden is, kan helemaal niet. Hooguit in een ander leven. Ach, sommige dingen. Misschien dat ik overmorgen even naar het strand ga.
0 reacties
Wegen
12 januari 2010
Mijn printer kan niet faxen, niet scannen en niet kopiëren. Printen doet-ie wel, maar hij slurpt inktpatronen als een kleuter zijn Chocomel, dus wellicht is het verstandig binnenkort een nieuwe aan te schaffen die van alle markten thuis is. Maar vandaag nog even niet, en omdat ik enkele kopieën nodig had, moest ik door de kou naar de kopirette. ‘Vanaf heden worden uw kopieën gewogen in plaats van geteld,’ vermeldde het bord boven het kopieerapparaat trots. Kijk, dat is nog eens vooruitgang. Wegen is het nieuwe tellen. Alles bij elkaar had ik vijftien kopieën nodig, die door middel van een eenvoudige druk op de knop volautomatisch voor me werden gemaakt. Prachtig product, zo’n kopieerapparaat. Ik haalde de stapel uit de lade en overhandigde ze keurig aan de meneer bij de kassa, die ze op de weegmachine legde. ‘Zestien stuks. Dat is dan 96 cent,’ zei hij en hij gaf me de stapel terug. ‘Het is niet belangrijk, en die zes cent maken me bar weinig uit, maar het zijn er vijftien,’ zei ik. ‘Ik heb eerst 15 ingetoetst en daarna op die grote groene knop.’ ‘De machine geeft zestien aan,’ was het antwoord. Ik pakte de stapel en telde ze voor hem uit. We telden samen tot vijftien. ‘De machine geeft zestien aan,’ zei hij opnieuw. Ik gaf de man een euro. ‘Zo is het goed,’ zei ik en ik liep naar buiten. Tellen is het oude wegen.
2 reacties
|